De 3-assige umbaurijtuigen

umbaurijtuigen-oudmaterieelAan het begin van de zestiger jaren, bestond de vloot aan personenrijtuigen van de Deutsche Bundesbahn uit sterk verouderde typen. In de jaren vijftig reden nog 22.345 oudere twee-, drie- en vier-assige coupé- en afdelingsrijtuigen rond, gebouwd naar oud-Pruisische en Beierse ontwerpen. Het kleine aantal nieuwe rijtuigen bleek niet voldoende om de ontstane tekorten op de vullen. Ook door gebrek aan staal en andere grondstoffen, kon er van een algehele vernieuwing van het rijtuigenbestand geen sprake zijn. Dit dwong de Deutsche Bundesbahn tot de modernisering van haar vooroorlogse rijtuigen en in 1953 werd het “Umbauprogramma” opgestart.

Drie-assig personenrijtuig, bouwserie 3yg[e].
umbaurijtuigen-3assigDe Deutsche Bundesbahn gaf in de zomer van 1953 het BZA in Minden de opdracht om, in samenwerking met andere rijtuigbouwers, een plan op te stellen om de vooroorlogse rijtuigen te moderniseren. Alleen de wielen en het onderstel werden overgenomen, maar de wagenbak werd nieuw ontworpen en geconstrueerd.

De werkplaats Ludwigshafen bouwde als proef in 1953 enkele Länderbahn-rijtuigen om. In januari 1954 begon de serieproductie verdeeld over de werkplaatsen van Ludwigshafen, Hannover, Karlsruhe en Limburg an der Lahn. Van deze rijtuigen, meestal nog voorzien van een houten opbouw, werd het onderstel verlengd tot 13.3 meter. Tevens werd het onderstel voorzien van een extra derde as in het midden van het rijtuig. Als donorrijtuigen werden niet alleen Länderbahn-rijtuigen gebruikt, maar ook rijtuigen van het vooroorlogse DRG. Het oude onderstel werd voorzien van een gegolfde metalen vloer. Daarop werd een stalen opbouw gelast. Deze opbouw reikte tot aan beide bufferbalken, had een breedte van 3.09 meter en kreeg naar buiten draaiende toegangsdeuren. De ramen waren niet conform de UIC-standaard, maar in een overgangsformaat. Alle rijtuigen waren voorzien van een toiletgroep.

Het interieur van de rijtuigen bezat in de derde klas plastic beklede stoelen in 2+3 opstelling, in de tweede klasse een stoffen bekleding en een 2+2 opstelling. Tussen beide compartimenten bevond zich een kleine tussenruimte. Alle rijtuigen waren voorzien van stoomverwarming, de meesten daarnaast ook elektrische verwarming (dit wordt aangeduid door het extra “e” in de typeaanduiding).

Er werden drie soorten rijtuigen gerealiseerd:

  • 3e klasse, C3yg[e], zeven ramen aan elke zijde van de rijtuigen en 62 zitplaatsen in de 2+3 opstelling, verdeeld over twee compartimenten. Een van de twee compartimenten was bestemd voor niet-rokers.
  • 2/3e klasse, BC3yg[s], dit rijtuig had 24 zitplaatsen van de derde klasse (alleen roken) en 24 zitplaatsen van de tweede klasse. Acht zitplaatsen hiervan waren bestemd voor niet-rokers.
  • 3e klasse/Bagagewagen, CPw3yg[e], bevat 24 zitplaatsen (niet roken) en een ruimte voor bagage en treinpersoneel.

Met de hervorming van de klassering in de zomerdienstregeling 1956 werden de rijtuigen opgewaardeerd. Vanaf dat moment waren er de B3yg[s], AB3yg[s] en BD3yg[e] rijtuigen. In 1954 waren meer dan duizend rijtuigen omgebouwd en aan Deutsche Bundesbahn overgedragen. Tot aan 1958 liep dit aantal op tot 6.500 rijtuigen en vormden zij 25 procent van het totale rijtuigenpark.
De maximumsnelheid was in eerste instantie 90 km/uur, later voor enkele rijtuigen verhoogd tot 100 km/uur. Om betere loopeigenschappen te bereiken werden de drie-assige rijtuigen altijd paarsgewijs ingezet. Alle mogelijke combinaties waren toegestaan. Enkele rijtuigen werden tevens geschikt gemaakt voor pendeltreinen. Deze rijtuigen zijn herkenbaar aan de toevoeging “b”, bijvoorbeeld AB3ygeb. In deze treinen werden de rijtuigen vaak gecombineerd met rijtuigen van het type Silberlinge (BDnf) of middeninstaprijtuigen (BDymf).
De inzet van deze rijtuigen in personentreinen op hoofd- en nevenlijnen liep door tot halverwege de 80er jaren. Enkele rijtuigen zijn nog te vinden in bouwtreinen en diverse spoormusea.

Lees verder De 4-assige umbaurijtuigen.