Elektrische locomotief serie E 60

De elektrische locomotieven van de E 60-serie van de Duitse Reichsbahn (sinds 1968: DB-serie 160) werden ontworpen als elektrische rangeerlocomotieven en waren van 1927 tot 1983 in de dienst. 
In de jaren 1920 werden de routes rond München geëlektrificeerd door de DRG. Omdat men het oneconomische rangeren met stoomlocomotieven door elektrische locomotieven wilde vervangen, ontstond in de grote stations behoefte aan elektrische rangeerlocomotieven.

Om deze reden bestelde de DRG in 1926 twee elektrische rangeerlocomotieven. De opdracht was om zoveel mogelijk componenten uit de E 91- en E 52-serie te gebruiken. Dit kwam dus overeen met drie door middel van stangen gekoppelde aandrijfassen met een blinde as. Omwille van gewichtsverdeling werd een loopas toegevoegd.

De bovenbouw bestond uit een zeer korte, lage opbouw, de cabine met op het dak de enige stroomafnemer en een lange, lage opbouw aan de achterzijde, die aan het einde schuin afliep. Door deze onevenwichtige opbouw dankten de locomotieven hun bijnaam “Strijkijzer”.

AEG leverde E 60 01 en 02 in 1927 en in 1928 volgden nog eens vijf machines. In 1934 volgde de derde reeks van zeven locomotieven. De locomotieven E 60 01 tot 12 werden elektrisch en mechanisch door AEG uitgerust, in E 60 13 en 14 kwam het elektrische deel van SSW.

De locomotieven waren gestationeerd in de depots van München Hbf, Rosenheim en Garmisch. In de loop van de tijd werden de E 60’s echter ook gebruikt op vrijwel alle geëlektrificeerde grote spoorwegstations in Beieren, vanaf 1938 zelfs ook in Oostenrijk. Aan het einde van de oorlog waren er in Oostenrijk zeven locomotieven achtergebleven. Deze werden allen teruggebracht in 1945 en 1946.

Deutsche Bundesbahn.
Eind jaren 1950 werden de locomotieven grondig gemoderniseerd. Ze kregen rangeerplatforms, een uitgebreide modernisering van de elektrische uitrusting en extra zijruiten in de cabine.
Vanaf 1964 werden E 60 05 en 06 ingezet vanuit Heidelberg. In 1968 werden de E 60 opnieuw ingedeeld in de serie 160. Op dat moment waren alle veertien locomotieven nog steeds in gebruik is en verdeeld over depots Garmisch, Rosenheim, Freilassing, Heidelberg en Treuchtlingen.

Einde inzet.
In 1976 annuleerde de Deutsche Bundesbahn het onderhoud van de locomotieven. Reeds in 1977 werden de eerste twee machines ter zijde gezet en in 1980 waren er slechts nog drie locomotieven in dienst: de 160 003 in Freilassing en 160 009 en 160 012 in Heidelberg. Op 31 augustus 1983 ging de laatste locomotief, de160.012 met pensioen.

Museumloks.
Drie locomotieven van de klasse 160 zijn in musea bewaard gebleven:
– 160 009 in het spoorwegmuseum Darmstadt-Kranichstein.
– 160 010 in het DB Museum Koblenz.
– 160 012 in het Auto- en Technikmuseum Sinsheim.

Bijzonderheden:
Voorbeeld: DB E 60 | Bouwjaar: 1927-34 | Aantal: 14 stuks | Tijdperk: 3 | Asindeling: 1’C | Lengte: 11.1000 mm | Vermogen: 1074 kW | Gewicht: 72.500 kg | Maximum snelheid: 55 km/uur | Uit dienst: 1983 [160 012].

Voorbeeld treinsamenstelling met E 60 05 [Fleischmann 436074]

    icon-logo-dbzw  icon-sound  icon-3pwissverl