Elektrische locomotief serie E 10.3

Br E10-3-01De elektrische locomotieven van de series E 10 (vanaf 1953) en E 10.1 (vanaf 1956) die door de jonge Deutsche Bundesbahn in dienst gesteld waren, hadden zich snel als buitengewoon veelzijdig bruikbare en hoogst betrouwbare nieuwbouwmachines bewezen. Ondertussen was men vanaf 1963 van plan de snelheden van de sneltreinen naar 160 km/h te verhogen, waarvoor de beide bestaande E 10-series met hun maximumsnelheid van 130 resp. 150 km/h niet voldoende waren.

Zo ontwikkelde men de serie E 10.3, waarvan de constructie weliswaar in hoge mate op reeds beproefde elementen steunde, maar behalve een hoger ingestelde overbrenging en operationaliseringen aan het loopwerk kregen ze ook een aerodynamisch gunstiger opbouw met het typische “strijkijzer”-front, aerodynamisch beklede buffers en doorgaande frontschorten als bufferbalkbekleding. Daarnaast werd ook nog de aan de beide flanken doorgaande straalventilatorband tot de karakteristieke kenmerken gerekend, die deze locomotieven in combinatie met een kobaltblauwe kleurstelling een gedegen en tegelijk elegante verschijning verleenden. In deze vorm was de E 10.3 vanaf 1963/64 al snel bij voorkeur de trekkracht voor sneltreingarnituren in het hoogwaardige interlokale verkeer op geĆ«lektrificeerde trajecten.

De tot op heden ingezette machines voldeden met hun grote inzetbaarheid, beschikbaarheid en buitengewoon duurzame constructie uitstekend. Zo dienden de ervaringen die bij deze serie opgedaan werden, ook als basis voor de constructie van de nog sterkere elektrische sneltreinlocomotieven van de serie E 03.

Bijzonderheden:
Voorbeeld: DB E 10.3 | Bouwjaar: 1956-69 | Aantal: voorserie 5 stuks, E 10 379 stuks | Tijdperk: III en IV | Asindeling: Bo’ Bo’ | Lengte: 16.490 mm | Vermogen: 3700 kW | Gewicht: 85.000 kg | Maximum snelheid: 140-150 km/uur.

Voorbeeld treinsamenstelling met E 10 345 [Trix 22030]
Br E10-3-02

logo-trix    icon-logo-dbzw  icon-sound  icon-3pwissverl