Elektrische locomotief serie 103

Br 103-01In de jaren zestig wilde men bij de DB sneltreinen gaan laten rijden met snelheden van 200 km/u. Voor deze hoogwaardige sneltreindiensten had men een snelle locomotief nodig. In maart 1961 gaf de DB aan de Duitse locomotief industrie de opdracht voor het ontwikkelen van een prototype voor een locomotief met een vermogen van 5000 kW en een maximum snelheid van 200 km/u.
Op de lijn tussen Bamberg en Forchheim werden testritten gemaakt. De test resultaten waren positief en dus besloot men tot de ontwikkeling van de E 03 locomotief. In 1965 werden er vier prototypen geleverd die waren gebouwd en ontwikkeld door Henschel (voertuigdelen) en Siemens (elektrische delen). Deze zes-assige locomotieven werden in dienst gesteld als E 03 001 t/m E 03 004. In tegenstelling tot de serie locomotieven BR 103.1 hadden de E 03 locomotieven maar een enkele ventilatierooster band aan beide zijde van de locomotief opbouw.

Nadat een uitgebreid testprogramma was doorlopen met de locomotieven was het tijd om de locomotieven in te gaan zetten in de dienstregeling. Met de zomerdienstregeling van 1966 werden de locs ingezet in een omloop van drie dagen, waaronder de dienst met de TEE 55/56 “Blauer Enzian” tussen M√ľnchen en Hamburg.
De locomotieven bleken uitstekend te functioneren in de plandienst en de resultaten hiervan waren ronduit positief. De locomotieven kregen op 1 januari 1968 de nieuwe nummers 103. Als gevolg van de positieve resultaten behaald met het uitgebreide proefprogramma met de BR 103.0 besloot de Deutsche Bundesbahn om in 1969 de serie locomotief BR 103.1 te bestellen.

Bijzonderheden:
Voorbeeld: DB BR 103 | Bouwjaar: 1970-1974 | Aantal: 145 stuks | Tijdperk: IV en V | Asindeling: Co’Co’ | Lengte: 19.500/20.200 mm | Vermogen: 7780 kW | Gewicht: 114.000 kg | Maximum snelheid: 200 km/uur.

Voorbeeld treinsamenstelling met 103 110-3 [Fleischmann 4802]
Br 103-02

logo-fleischmann  icon-tp4  icon-logo-dbzw