Diesellocomotief serie V 200/221

v200-221-01De locomotieven van de serie V 200.0, vanaf 1968 de serie 220, waren de eerste diesellocomotieven van de Deutsche Bundesbahn voor gebruik op de hoofdlijnen. De markante opbouw is een product van het typische industriële design van de vijftiger jaren van de vorige eeuw.

De vijf locomotieven van de voorserie werden in 1953-1954 gebouwd. De serieproductie begon rond 1956, waarbij 20 locomotieven werden gebouwd door MaK en 61 door Kraus Maffei. Optisch verschillen de locomotieven van de voorserie door andere ovale lampen en de luchtinlaten boven deze lampen.
De diesellocomotieven trokken hoogwaardige sneltreinen op alle belangrijke hoofdlijnen. Door de voortschrijdende elektrificatie werden de machines uit deze diensten weggedrukt en werden meer en meer ingezet in buurtverkeer en de goederendienst.
In de praktijk werden de diesellocomotieven vaak overbelast, met schade als gevolg. De Deutsche Bundesbahn nam daarom vanaf 1962 de sterkere versie V200.1 (later serie 221) in dienst.

Vanaf 1977 waren de alle locomotieven ingedeeld bij de Noord-Duitse depots. De onderhoudsgevoeligheid van de locomotieven had als gevolg dat deze stuk voor stuk uit de actieve dienst werden gehaald, als laatste exemplaar de V 200 013 in 1984. Slechts drie locomotieven, de 220 012, 220 023 en de 220 060 werden in 1974 overgespoten in oceaanblauw/beige.

Van de serie V 200.1 werden er vanaf 1962 tot 1965 in totaal 50 locomotieven in dienst genomen. Vanaf 1968 werden de machines omgenummerd als serie 221.
In 1960 had Kraus-Maffei de opdracht gekregen de V 200.0 verder te ontwikkelen, met als resultaat de sterkere V 200.1. Het belangrijkste onderscheid tussen de beide series waren de motoren van de V 200.1: 2 x 1350 PS tegenover de 2 x 1100 PS van de V 200.0. De sterkere motoren waren nodig door het opkomende treinverkeer met langere en zwaardere treinen. Daardoor bereikten de locomotieven van de serie V 200.0 de grenzen van hun kunnen, wat niet zelden leidde tot vertragingen.

De V 200.1 werden ingezet op de lijn tussen Kempten Allgäu en Lindau en op de Schwarzwaldbahn tussen Offenburg en Konstanz. De serie 221 reed tevens op de Vogelfluglinie tussen Duitsland en Denemarken.
Het hogere gewicht van de nieuwe motoren werd deels gecompenseerd door het gebruik van lichtgewicht materialen en het gebruik van een lichtere ketel voor de stoomverwarming. Het laatste gebied waar de klasse V 200.1 bij DB werd ingezet was het Ruhrgebied, waar zware goederentreinen werden getrokken op de hoofd- en secundaire lijnen, de laatste locomotief werd in 1988 bij het depot Oberhausen-Osterfeld buiten dienst gesteld.

Enkele locomotieven werden verkocht aan Griekenland, Albanië en Zwitserland, maar in totaal 24 locomotieven van deze serie zijn behouden. De 20 aan Griekenland verkochte machines werden in 2002 door de Prignitzer Eisenbahn GmbH teruggehaald naar Duitsland. Enkele locomotieven werden geleidelijk gereviseerd en verkocht aan verschillende particuliere spoorwegmaatschappijen. In oktober 2003 werden 200 V 101 en V 200 120 terug uit Italië gehaald. Deze locomotieven staan op dit moment geparkeerd in het Spoorwegmuseum in het Zuid-Duitse Heilbronn.

Bijzonderheden:
Voorbeeld: DB BR V 200 | Bouwjaar: vanaf 1953 | Aantal: 86 stuks | Tijdperk: III, IV en V | Asindeling: B’B’ | Lengte: 18.530 mm | Vermogen: 2 x 809 kW | Gewicht: 78.000 kg | Maximum snelheid: 140 km/uur.

Voorbeeld: DB BR 221 | Bouwjaar: vanaf 1962 | Aantal: 50 stuks | Tijdperk: III, IV en V | Asindeling: B’B’ | Lengte: 18.440 mm | Vermogen: 2 x 993 kW | Gewicht: 81.000 kg | Maximum snelheid: 140 km/uur.

Voorbeeld treinsamenstelling met V 200 126 [Roco 62932]

    icon-logo-dbzw    icon-3pwissverl

Voorbeeld treinsamenstelling met V 200 037 [Roco 63943]
V200-221-02

    icon-logo-dbzw    icon-3pwissverl

Voorbeeld treinsamenstelling met 200 031-9 en 200 026-9 [Dummy] [Roco 62749]
V200-221-03

    icon-logo-dbzw    icon-3pwissverl

Voorbeeld treinsamenstelling met 221 130-8 [Roco 62840]
V200-221-04

    icon-logo-dbzw    icon-3pwissverl