Tijdperk III

Tijdperk III: 1949 – 1970

De wederopbouw en de modernisering van de spoorwegen, zowel in de Bundesrepubliek Deutschland (BRD) en de Deutschen Demokratischen Republiek (DDR) komen op gang. Tekenend voor die tijd is de toename aan gebruik van diesel- en elektrische tractie en de drastische afbouw van het stoomlokomotievenpark. In dit tijdperk vindt de ontwikkeling plaats van het moderne materieel en beveiligingstechniek.

III-a: 1950 – 1956
Na de grote oorlog vindt een verdere standaardisatie van het voertuigenpark plaats. Veel materieel uit de oorlog is niet meer bruikbaar of verspreid over het gehele continent. Veel personenrijtuigen worden voorzien van een nieuw opbouw, de zogenaamde “Umbaurijtuigen”. Al het spoorwegmaterieel komt in 1945 onder toezicht en leiding van de geallieerde bezettingsmacht. De wederopbouw van het spoor begint en in 1948 wordt de Deutsche Bundesbahn opgericht. Een jaar later volgt de oprichting van de Oostduitse Deutsche Reischsbahn (DR).

Op de zijkanten van het materieel verschijnt “Deutsche Bundesbahn” of kortweg “DB”.
In deze periode bestaat het 3e klassen systeem nog en worden de laatste nieuwe stoomlocomotieven (Neubaudampfloks) ontworpen en gebouwd. Dit betreft onder meer de series 10, een doorontwikkeling van de sneltreinlocomotieven serie 01, en de beoogde opvolger van de P8, (serie 38), de serie 23.
De DSG wordt opgericht en de 26m lengte standaard voor personenrijtuigen ingevoerd. Alle goederenwagens uit de bezettingszones krijgen hun nieuwe DB-nummering. De nummering geschiedt per serie en opvolgend nummer, van een logo is nog geen sprake.

De EUROP-pool (Europese wagengemeenschap) werd op 1 mei 1951 opgericht als een samenwerkingsverband tussen de DB en SNCF om tot gemeenschappelijk gebruik van elkaars goederenwagons te komen. Op 15 maart 1953 werd de overeenkomst uitgebreid door toetreding van de CFL, DSB, FS, NMBS, NS, ÖBB, EdS (Eisenbahnen des Saarlandes) en SBB; de organisatie kreeg zijn zetel in Bern. DB en SNCF leverde het leeuwendeel aan wagens. Wagens, die niet tot het Europ-Park behoorden, dienden na het ontladen op de plaats van bestemming zo snel mogelijk worden teruggestuurd naar het land van herkomst. Indien er geen retourlading voorhanden was, gebeurde dit zelfs met lege wagens.

De vloot aan personenrijtuigen van de Deutsche Bundesbahn bestond voornamelijk uit sterk verouderde typen. De DB gaf in de zomer van 1953 het BZA in Minden de opdracht om een plan op te stellen om de vooroorlogse rijtuigen te moderniseren. Alleen de wielen en het onderstel werden overgenomen, maar de wagenbak werd nieuw ontworpen en geconstrueerd. Het resultaat waren de drie-assig personenrijtuigen van de serie 3yg[e].

III-b: 1956 – 1970
Tijdperk3-1In 1956 doet het nieuwe DB-logo, een ontwerp van professor Ege, zijn intrede. De enorme hoeveelheid aan stoomlocomotieven wordt in snel tempo vervangen door diesel- en elektrische tractie. Veel stoomlocomotieven krijgen nieuwe ketels (Neubekesselung) en enkele locomotieven worden omgebouwd voor olie-verbruik.

Complete series diesel (V60, V65, V160, V200 en V320) en elektrische (E10, E40, E41 en E50) locomotieven worden aangeschaft. Nieuw spoorwegmaterieel is in ontwikkeling en de Rheingold maakt zijn glorieuze tijden mee. In 1957 krijgt deze luxe trein gezelschap van de Trans Europe Express. Het 3-klasse systeem wordt teruggebracht naar 2. De 1e klasse wordt herkenbaar aan de gele streep. Uit deze periode stamt het ombouwprogramma voor de vier-assige personenrijtuigen van de serie 4yg (Umbauwagen).

De nationale spoorwegmaatschappij in West-Duitsland was vanaf 1949 tot aan 1994 de Deutsche Bundesbahn (DB). In Oost-Duitsland werd in 1948 het spoor verdeeld door de bezettingsmachten. Tot 1951 waren er de zogenaamde bezettingszones: Brit-US-zone, Fr-zone en USSR-zone. In 1951 werd in de Russische zone de Deutsche Reichsbahn (DR) opgericht.

In Oost-Europa wordt in 1964 de OPW (Obschtschi Park Wagonow = gezamenlijk goederenwagenpark) als tegenhanger van de Europ-Pool opgericht. Goederenwagens uit de DDR, in het bezit van het RIV-teken (vereiste technische aspecten), kwamen dus tot in West-Duitsland. Deze wagens werden na ontladen onverwijld teruggezonden. MRS-wagens voor Manschappen- en troepentransport van de DR mochten de grens in geen geval over!

Tijdperk3-2